En dan ineens betrap ik mezelf erop dat ik toekomstplannen aan het maken ben, mezelf vragen stel als ‘hoe ziet mijn leven er volgend jaar uit’. Het zijn geen vragen die ik zelf verzin, maar toch twijfel ik er niet aan om ze te beantwoorden. Sinds kort mediteer ik dagelijks, soms zelfs meerdere keren. In de geleide meditaties komt het ‘nu’ en vragen over ‘later’ nog al eens voorbij. En dat is zo bevrijdend. De toekomst is altijd dichterbij geweest dan ik dacht, vroeger al. Zo was ik ineens dertig weet ik nog. En toen werd ik ineens misschien geen negenendertig. Dat kan nog steeds maar ik ben al over drie weken jarig dus de kans is mega dat ik het wel wordt, net als veertig trouwens, en misschien ook wel honderd. En het punt is dat ik het niet weet, dat niemand het precies weet. Wat ik wel weet is dat ik blij word als ik denk aan een later en nog blijer als ik denk aan een te gek super duper later. En laat ik daar nou iets aan kunnen bijdragen. En nog meer kan ik bijdragen aan het hebben van een tof nu.

Terwijl ik dit schrijf, zit ik op een terras in de zon en wacht ik op mijn bestelde tonijnsalade terwijl ik nip aan mijn koffie verkeerd. Om mij heen het prettige geroezemoes van mensen die ook even ontspannen een vorkje prikken. Naast mij twee vrouwen waarvan er één continu aan het woord is. En ik ben erbij omdat ik hier toevallig langsfietste en dacht ‘die blog kan ik ook daar schrijven’. Want, ik heb met mezelf afgesproken een jaar lang wekelijks een verhaal en een filmpje te delen. En ik mag daar niet over oordelen en niet mee stoppen, van mezelf. Het oordeel vel ik over een jaar. En had ik die afspraak niet gemaakt met mezelf, dan had ik hier waarschijnlijk niet gezeten. Mooi toch.

In september ben ik jarig en het toeval wil dat het in september ook een jaar geleden is dat ik geopereerd ben, toen zijn het melanoomlitteken en de lymfeklieren uit mijn rechteroksel verwijderd. Sindsdien ben ik kankervrij. En dat wil ik vieren, het voelt bijzonder.

In september mag ik dus ook weer ‘door de scan’. Elke drie maanden wordt in het Erasmus MC een CT-scan gemaakt van mijn romp om te zien of er veranderingen te zien zijn die kunnen duiden op nieuwe uitzaaiingen. In de tussenliggende maanden ben ik hier nauwelijks mee bezig maar de week tussen de scan en de uitslag is meestal niet mijn beste week.

Gisteren vroeg iemand wat ik zou doen als ik slecht nieuws zou krijgen. Ik antwoorde het eerste dat in me op kwam: vooral niet onder de tram lopen. En dat meen ik ook voor een groot deel; het lijkt me heel vervelend dat je nog korter leeft dan eigenlijk mogelijk is. Maar andere kant, ik geloof dat alles zin heeft, dus dan maakt het weer niet uit.

Alles heeft zin? Ja, voor mij wel. Als alles namelijk zin heeft hoef ik me dat nooit af te vragen en heb ik altijd de mogelijkheid om iets in een voor mij zinnige context te plaatsen, om schijnbare toevalligheden aan elkaar te verbinden tot een zinnig geheel. Connecting the dots. Als ik van A naar B ga is dat altijd via via, er is altijd ‘onderweg’, er is altijd ruimte om de dingen heen. Ruimte die ik vaak voel, zie, wil zien en waar ik me fijn voel. Alsof ik een toeschouwer en deelnemer ben, tegelijkertijd. Ik kies ervoor om zo te leven.

Posititief, dat woord heb ik de laatste tijd veel gehoord, een positieve instelling, een positieve uitslag, dat soort dingen. Maar zelf denk ik niet dat ik altijd persé positief ben, ik doe eigenlijk vaak iets anders, ik stel mijn oordeel uit. Dat wil zeggen dat ik het meest van de tijd niets vindt van de situatie, dat ik geen gedachten heb over de eventueel slechte afloop. Dat ik me realiseer dat het nu zo is, dat we hier doorheen gaan, dat nog steeds de dagen langer of korter worden en de vogels ‘s morgen steeds vroeger of later gaan fluiten, dat is niet veranderd, dat is elk jaar zo.

En ondertussen ‘doen we de kanker’, net zoals de afwas en de administratie. Kan dit? Ja, dit kan. Sterker nog, waarom zou ik het anders doen? Zo nu en dan word ik wakker ‘s morgens en voel ik me niet blij, dan ben ik daar ook mee, dan doe ik even niet blij, dan huil ik een beetje, of een beetje veel. Dan doe ik mijn mooie kleren aan en mijn haar mooi. Dan doe ik goud op mijn oogleden en ben ik verder gewoon even niet blij. En de volgende dag is dat gevoel meestal weer weg en kan ik weer verder.

Vorige week ben ik bijna een afspraak vergeten in het ziekenhuis, dat zegt mij iets over hoezeer ik nog bezig ben met ziek zijn; bijna niet dus. Wat wel bijzonder was is dat ik een week later een collega-melanoomkankerpatiënt sprak bij wie de kanker na vele jaren toch was teruggekeerd. Nu weet ik natuurlijk wel dat de kans dat het terugkomt tussen ergens rond de vijftig procent is, dat is best een grote kans. Maar de kans dat het weg is en nooit meer terugkomt is nagenoeg hetzelfde. En in mijn hoofd is het glas dus letterlijk voor de helft gevuld, dat is gewoon zo. Zo nu en dan knip ik in mijn vingers en zeg ik ‘schenk maar bij, lekker, doe mijn nog maar wat van dat lekkere leven! Proost!’