De afgelopen week zijn we gaan kamperen, op een boerencamping op de Veluwe.

Op de camping stonden veel al wat oudere, maar toch actieve mensen. De hele fietsenstalling stond vol met de meest geavanceerde en nieuwste elektrische fietsen. Elke avond werden Harm en ik getrakteerd op een verhaal wanneer we de afwas deden in één van de wasbakken, buiten bij het toiletgebouw. We vielen nogal op als jong gezin.

En waar ik eerst bang was voor klachten, want onze jongens maken geluid, veel geluid, werd ik verrast door het terugkerende compliment dat men zo ontzettend genoot van onze kinderen. Dat ze zo leuk samen speelden in het speeltuintje, en niet te vergeten hun urenlange sessies op de trampoline waaronder een watersproeier stond. En dan hun vader die met ze meespeelde, op diezelfde trampoline door de stralen van de sproeier rolde, tot groot vermaak van de jongens en mij, maar blijkbaar ook de rest van de camping. (ondertussen las ik veel in een boek, maar daar had niemand het later meer over, behalve ik). Dat was fijn om te horen.

Op een avond hoorden we het verhaal van een man die al meer dan vijftig jaar getrouwd was, vroeger veel had hardgelopen en dat had hem, letterlijk, op de been gehouden. Zijn vrouw was ‘niet zoals een ander’, zei hij, ze had zware psychische problemen. Dat was zwaar, maar hij was God dankbaar dat hij hem de kracht gaf om haar te helpen, om bij haar te blijven en zelf overeind te blijven.

Hij had gevaren, zijn ouders waren ook schippers. Maar later was hij toch aan wal gegaan, om daar in loondienst te gaan werken. Eerst nog met het idee dat hij ooit weer zou gaan varen, maar dat is er nooit meer van gekomen. Samen met zijn broer had hij een bedrijf gehad, maar dat was kapot gegaan.

Terwijl hij zo stond te vertellen zag ik hem steeds vaker naar de grond kijken, alsof hij het meer tegen zichzelf dan aan ons vertelde. Dat viel me trouwens vaker op deze week, van alle mensen die ik sprak, alle verhalen waar ik naar luisterde, er heeft nooit iemand iets aan mij gevraagd. En dat is niet erg maar ik vroeg me wel af hoe dat kwam, het waren nooit gesprekken, altijd monologen. Harm ik hadden het erover, dat het leek alsof oudere mensen willen laten zien dat ze nog meetellen, dat ze niet altijd grijs en krom waren. Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik dat inderdaad vaak vergeet. Vooral als ik in de auto weer ‘een gevaarlijke oude gek’ inhaal die tachtig rijdt waar je honderddertig mag. Vanaf nu kijk ik weer met een frisse blik naar oudere mensen. Het zijn mensen met een verhaal, veel verhaal, over hun geschiedenis maar ik heb ook geleerd over ons tijdsbeeld. En ik ben weer even extra dankbaar dat ik nu leef, als vrouw. En dat ik kan doen wat ik wil en niet weggeprakt ben achter een aanrecht.

Ondanks zijn hartklachten, kapotte knie en versleten rug liep hij elke dag een ronde en deed hij oefeningen zodra hij uit bed kwam. ‘Als je iets wilt, dan moet je er alles voor doen’, zei hij, terwijl hij een stap mijn richting uit deed en me indringend aankeek..

Terwijl ik mijn afwasje tegen me aandrukte voelde ik woorden in me opborrelen die ik nooit heb uitgesproken tegen deze man. Woorden dat het ook anders kan, nog steeds, dat er misschien een tussenweg is, dat hij ook recht heeft op liefde en nog meer. Ik zei niets.

Harm en ik keken elkaar aan, dankbaar voor de liefde tussen ons, het begrip, het vrijwillige samenzijn elke dag weer, voor juist het gevoel van vrijheid dat ons bindt. Intens dankbaar voor alles wat wij delen en ook een beetje verdrietig dat deze man dat nooit gehad had en er ook niet meer in geloofde.

Het toeval wilde dat hij ook Rijk heet, net als onze jongste. Gelukkig hadden hij en zijn vrouw samen genoten van het plezier van onze Rijk, dat maakte het weer een beetje goed. Toen hij en zijn vrouw de caravan achter de auto gezet hadden om te vertrekken riep hij nog even naar Rijk en zwaaide naar ons. We hebben gezwaaid tot we ze niet meer zagen, ook Rijk.