De wekker gaat vandaag eerder dan anders. Bij de eerste tonen denk ik direct: uitslagdag. Geroutineerd stap ik uit bed, neem in de keuken mijn schildklierpilletje en vitaminen. Harm is al op, hij heeft brood uit de vriezer gehaald en op de bordjes gelegd. Twee voor Rijk, vier voor Jules en voor mij staat een schaaltje klaar voor mijn granola-ontbijt. Douchen, kindjes wakker maken en dan ontbijten we gezellig met z’n vieren. De jongens eten brood met apenvlokken, die zijn het helemaal op dit moment. Dat op de verpakking een krokodil staat maakt niet uit, apenvlokken zijn het. Rijk wijst naar de krokodil en zegt ‘bijten bil!’. Hiervoor aten ze een tijdje pepernoten op brood; kleine speculaasjes uit een melkpak.

Exact volgens plan staan we een half uur later met z’n viertjes in de gang. Jassen aan, schoenen aan, rugzakjes gevuld met schone kleren, drinkbekers en fruit en dan naar buiten. Stoeltje op de fiets, zadels droogmaken is niet nodig vandaag. We fietsen naar school, onderweg de vertrouwde gezichten; klasgenootjes met hun vaders en moeders, er wordt een hoop gezwaaid en de vrolijke ‘goede-morgens’ echoën tussen de gevels.

Gisteren is er blijkbaar gevochten op het schoolplein, twee moeders hadden ruzie. We kregen er een keurige mail over, het spektakel zelf heb ik gemist. Terwijl ik naast een collega-moeder de school in loop vraag ik haar of ze wil vechten, dat wil ze niet, we lachen erom en ik voel dat we het eens zijn over moeders die elkaar de hersens in willen slaan.

De jongetjes weten dat we vandaag wat eerder op school zijn en dat Harm en ik snel weer weg moeten naar het Erasmus MC, het ziekenhuis. ‘Want mama hoort vandaag of de kankercellen nog steeds weg zijn of dat ze misschien toch nog ergens verstopt zaten.’ Jules vertelt me dat er kanker-vikingen zijn die ze kunnen verslaan, ‘echt waar hoor mama,’ zegt hij met grote ogen. We lachen samen, wat hou ik toch van die gast. Hij denkt na, dat weet ik, maar wat precies? Ik heb geen idee. Wat het afgelopen jaar voor hem betekend heeft, daar kan ik alleen maar naar raden. Als ik hem vraag of hij het ook spannend vindt haalt hij z’n schouders op.

Nadat we afscheid hebben genomen zwaai ik nog even naar Jules vanachter het raam, hij ziet me en zwaait vrolijk terug.

Ineens word ik overvallen door zenuwen, tranen prikken achter mijn ogen. Harm loopt naast me, mijn rots in de branding, onverschrokken als altijd.

Op de fiets maken we nog een paar grappen, verwonderen ons over de jeugd die in enorme kuddes en rijen dik onze route bevolken. Net op tijd arriveren we in het ziekenhuis. Inchecken en naar gebouw Ng, vierde verdieping, wachtruimte 4J.

Het is opvallend rustig, naast ons zitten nog een man en een vrouw te wachten.

Als de arts ons binnenroept probeer ik direct aan haar lichaamstaal af te lezen wat de uitslag is, mijn eerste gevoel is dat het niet ok is. In de paar stappen naar het kleine maar helverlichte kamertje voel ik me misselijk worden en hoor ik mijn hart kloppen. Mijn gedachten zijn bij Jules en Rijk. Veel tijd om me druk te maken krijg ik niet. Zodra ze de deur sluit en ik nog nauwelijks zit worden we uit ons lijden verlost: ‘Goed nieuws, er is niets te zien op de scan’. Duizenden kilo’s glijden van mijn schouders en ook bij Harm denk ik opluchting te zien, we pakken elkaars hand en wisselen kort een blik. Hoeveel kun je zeggen, in één enkele blik en in een enkele zin. Er volgt nog meer goed nieuws, ook de sarcoïdose is verdwenen, de lymfeklieren tussen mijn longen zien er weer normaal uit. Kortom, ik ben gezond en mijn eerste jaar als kankerpatiënt zonder kanker is een feit. Vorig jaar, op tien september, kreeg ik ook een goede uitslag, toen heb ik deze dag uitgeroepen als nationale dag van het goede nieuws, deze titel wordt geprolongeerd. Ook is het vandaag een jaar geleden dat Jules geopereerd werd aan zijn been, wat een bizarre dag was dat toen.

Vandaag eten we een taartje, Harm gaat naar de kapper en ik vertrek naar kantoor, lekker werken. Iedereen die mij ziet fietsen, ziet gewoon een vrouw op een fiets, verder niets, behalve dan dat ze wel héél erg blij kijkt.

Vrijdag ben ik jarig, dan word ik negenendertig jaar, wat een feest. Ja man, wat een feest.