Ontbijten in de stad, zo nu en dan doe ik dat, met een bekende of juist om iemand te ontmoeten. Vanmorgen sprak ik af met een vriend in het Westerpaviljoen. Tegen mijn gewoonte in was ik aan de vroege kant. Nog voor ik goed en wel zat was mijn bestelling al opgenomen en toen ik mijn jas over de leuning van de stoel drapeerde werd een heerlijke koffie verkeerd voor me neergezet.

Deze dag was goed begonnen, vanmorgen vroeg zelfs tijd gevonden om mijn haar weer eens te wassen én te föhnen, de kinderen waren op tijd op school en er was geen ochtendgedoe. Jules had zelf zijn schoenen al aangetrokken en zijn veters zelf gestrikt.

Zulke ochtenden koester ik. Samen aan de ontbijttafel, gezellig geklets, iedereen zonder pastaranden op het gezicht naar school en in de rugzakken gevulde broodtrommels, drinkbekers en vers fruit. Het voelt bijna als vader en moedertje spelen; het lijkt bijna niet echt. Rijk zat achterop mijn nieuwe fiets in het nieuwe kinderzitje. Hij bleef maar langs me heen kijken en roepen ‘ik ben hiehier!’ terwijl Jules zich afvroeg of ik nu sneller kan fietsen dan oma, oma heeft een elektrische fiets. Het wil er bij hem niet in dat oma echt sneller is. Eenmaal bij school sluit hij het gesprek af met ‘ik ben lekker toch veel sneller dan oma, ik fiets wel zevenhonderdnegentig kilometer per uur’. En daar moet oma het mee doen. Als Jules in de klas zit gaat de bel, precies op tijd waren we dus, zonder haast. Rijk ging zelf al op weg naar zijn klaslokaal, onderweg knuffelde hij juf Ummuye. Hij noemt haar juf Ummie, dat is een compliment want snoepjes noemt hij ook zo en daar is hij, net als op juf Ummie, dol op. In de klas pakte hij een boek en ging in de kring zitten, ik kuste hem en zonder te kijken zei hij ‘dag mamma’.

Die kleine dagelijkse dingen, die zo’n belangrijke rol spelen in hoe de dag aanvoelt, daar sta ik nu steeds vaker bij stil. Samen die dag beginnen en samen eindigen, elkaar welterusten zeggen en een goede nacht wensen, een knuffel.

De kinderen nog even lekker instoppen terwijl ze al uren lekker liggen te slapen. Altijd fluister ik nog even tegen ze, dat ik van ze hou en dat ze de beste zijn. Natuurlijk weet ik wel dat het pedagogisch totaal onverantwoord is om je kinderen op te hemelen, omdat je daarmee de lat zo hoog legt dat ze er nooit aan kunnen voldoen. Maar als ze slapen en ik ook naar bed ga, hoop ik toch dat ze me onbewust horen. Dat ze dromen van mooie dingen en dat ze door mijn woorden nog net een tikkie mooier dromen en straks met nog meer zelfvertrouwen wakker worden. Ook koop ik er mijn schuldgevoel een beetje mee af, als ik weer eens tegen ze geschreeuwd heb, of onredelijk was, ik wil ze laten weten dat ik ze heus waardeer, mocht ik dat vergeten zijn te laten merken die dag.

Mijn vriend arriveert enkele ogenblikken later en we ontbijten samen, terwijl we elkaar vertellen over hoe het met ons gaat. In het hele gesprek komt het woord kanker niet voor en ik besef dat dit de laatste tijd vaker zo is. Het is heel fijn, ook om weer te kunnen luisteren naar anderen, dat mensen met me delen hoe het echt met ze gaat, dat ik soms een tijdje niet van iemand hoor, gewoon omdat er weer meer tijd lijkt te zijn. De volgende scan is ook pas over twee maanden, alle tijd nog, alle tijd.