Een brief aan mijn zusje, die toevallig tegelijk met mij kanker had. Een bizar maar toch ook dankbaar toeval. We schrijven elkaar zo nu en dan een brief zodat we niet vergeten. Deze blijft zo bij me, voelt als van waarde, vandaar dat ik hem deel. De brief dateert van 30 april 2019.

Lieve zus,

Je weet, vorige week kregen we allebei goed nieuws, op dezelfde dag. Een zogenaamde -goed nieuws dag-. Het is jammer dat dit soort dagen voorafgegaan worden door een hoop angst, dat wel, anders zou ik ze wel vaker willen. Op 25 april hoorde jij dat het aantal blasten in je beenmerg nog steeds onder de 2% was, ik hoorde dat de vergrootte lymfeklieren tussen mijn longen te wijten zijn aan disco-siose en dus niet aan uitzaaiingen. Ik weet trouwens best dat mijn nieuwste ziekte anders heet, maar ik kan het niet onthouden en dit klinkt in ieder geval gezellig, zo lijkt het nog wat. Kortom; dikke doei naar kanker, aan ons lijf geen leuko, niet melo over melanoom, enzovoort, enzovoort.

En het kan niet op, want jij mag je laatste chemo ontvangen tijdens de dagbehandeling en dus slaap je lekker in je nieuwe bed, bofkont! Natuurlijk is het jammer dat de stamceltransplantatie niet doorgaat. Nu kom je dus niet naar Rotterdam voor een maand, moet ik nog steeds een pleuriseind rijden om je te zien, ga ik niet te pas- en te onpas op Lexi passen, maar, jij slaapt in ieder geval in je eigen bed šŸ˜‰

Donderdag hebben de kinderen en ik nog wat beleefd trouwens. Om al dat goede nieuws te vieren gingen we uit eten. We zijn Marlou met de kinderen en ik met de jongetjes, zonder volwassen mannen dus. We aten bij de snor, dat heet anders maar hun beeldmerk is een foto van een vrouw met een snor en omdat Evy en Jules nog niet kunnen lezen heet het dus de snor, en niet iets met Italy. Je kunt er voor een habbekrats pasta en pizza eten. En er is een ballenbak/klimrek. Dat betekent dat we zowaar een gesprek konden voeren en ik dus Marlou uitgebreid al het goede nieuws kon vertellen. Ik heb er zelfs een glas wijn bij gedronken. Ik kon trouwens niet kiezen welke wijn, het was wit of rood, zoet of droog. Maar dat drukte absoluut de pret niet. Op zulk goed nieuws kun je zelfs met benzine nog een proost uitbrengen tenslotte.

Na het eten gingen we uitgelaten naar huis, op de fiets. Rijk voorop, Jules achterop met zijn voeten in mijn nieuwe fietstassen, super veilig. We fietsten het laatste stuk langs het park. Toen we de bocht maakten onze straat zagen we midden op straat een duif liggen, met een hoop veertjes en bloed. Ik merkte dat ik hoopte dat hij dood was, maar hij trappelde nog flink met zijn pootjes, zijn vleugels gespreid op de klinkers en zijn lijfje platgedrukt. Het arme dier was duidelijk kort voordat wij er waren aangereden. Uiteraard had Jules het beestje direct in het vizier. Hij wilde dat ik de dierenarts belde maar ik wist alleen te vertellen dat het beter was het beestje uit zijn lijden te verlossen.

We stapten weer op de fiets met het idee dat we zo snel mogelijk het beestje van de weg zouden halen om te zien wat er nog te redden viel.

Eenmaal binnen wist ik niet goed wat te doen. Als ik alleen geweest was had ik een tegel uit de tuin gepakt op het beestje uit zijn lijden te verlossen. Maar ik wilde Jules en Rijk niet dat trauma meegeven en het risico lopen dat ze me als een dierenbeul zouden zien, misschien zou het wel Rijks eerste herinnering zijn.

Met een plastic tas van AH en een paar oude, rubberen handschoenen gingen we weer naar buiten. Tot mijn opluchting was de duif gestorven terwijl wij binnen waren. Raar eigenlijk, hoe mooi zou het zijn geweest als hij alleen even een dutje gedaan had en ondertussen was weggevlogen. Jules huilde, heel zachtjes. Rijk wilde de duif oprapen, ik kon het maar net voorkomen terwijl ik een arm om Jules heen hield.

Ik raapte de duif op en liep ermee naar de container waar we praktisch naast stonden. Gelukkig bedacht ik me op tijd, ook dat zou niet zo mooi staan in de herinnering van de kinderen. We gingen de duif begraven.

We pakten Jules groene schep binnen en groeven een ondiep graf in de plantenbak voor ons huis. Ik liet de duif onhandig uit de AH-tas in het graf vallen, het kopje raar scheef door de gebroken nek.

Jules huilde ondertussen, nog steeds zachtjes. Ik mompelde iets over de duivenhemel en Jules wilde natuurlijk weten waar dat dan is en hoe het eruit ziet. Dat weet ik ook niet, zei ik en liet hem beschrijven hoe hij zou willen dat het is. Hij ziet daar al zijn dode duivenvrienden weer, zei Jules. En hij stopte met huilen.

Ik voelde tranen prikken van zoveel wijsheid. Zijn eerste contact met dood, en mijn eerste contact met zijn gedachten over dood. Een droevige maar zo passende afsluiting van een mooie dag. De afslag waar jij en ik aan voorbij zijn gereden, die van dood gaan en het offer was een duif.