‘En de baby?’ Ik vroeg het, tegen beter weten in. Ze gaf geen antwoord. ‘Ik kom naar je toe, is dat oké?’ ‘Graag,’ zei ze. We namen afscheid. Voordat ik nu mijn Macbook in zou pakken, naar huis zou fietsen om in de auto te stappen en naar het zuiden zou rijden, bleef ik even zitten. Het kantoor waarin ik zat, de tafels, de stoelen en buiten het verkeer dat door raasde, de neonverlichting van de stad en de opgevouwen parasollen van het café op het kruispunt waar ik op keek. De wereld was net ingestort maar alles zag er nog hetzelfde uit. In mijn buik deed een haai een dodemansrol. Hij had me te pakken en zou voorlopig niet loslaten.

Het was oktober 2018 en ik had net onwaarschijnlijk nieuws gehad: mijn zus, mijn lieve kleine zusje, had kanker. Ze was 30 jaar, zwanger van haar eerste kindje en kort daarvoor had ze ‘ja’  gezegd toen haar droomman haar ten huwelijk vroeg. Oneerlijk, dat was het. Zo ontzettend oneerlijk dat haar en ons dit overkwam. We waren net opgekrabbeld van mijn kanker, konden dat nog maar nauwelijks bevatten. Maar dit nieuws, hoe konden we dit dragen?

Het waren geen vragen toen, het zijn vragen die ik nu, twee jaar later, met de goede afloop in gedachten durf te voelen. Want toen, gingen we gewoon in de overlevingsstand: gewoon doen wat er gebeurt.

Die avond, aan de tafel bij haar thuis zat ik naast mijn zus, telkens keek ik naar haar. Haar lange prachtige haren, glanzende huid en schitterende ogen. Een uitgesproken voorbeeld van een stralende zwangere vrouw. Maar haar handen lagen in haar schoot, haar buik wilde ze liever niet meer aanraken, want ze moest afscheid nemen van het meisje dat erin zat. De tranen konden niet komen, want we moesten sterk zijn. Maar een verdriet zo groot als dit laat zit niet wegduwen,  dus kwamen er tranen en die verdwenen ook weer. We, familie en goede vrienden luisterden en stelden vragen. De hematologe was duidelijk geweest: eerst abortus en dan zo snel als mogelijk starten met chemo, dan waren de kansen van mijn zus het grootst. Overlevingskansen. Ik herinner me het kramachtige gevoel dat ik had. Mijn verstand wist heus wel dat er meerdere scenario’s waren, maar in mijn hart was maar plek voor één: ze zou nog lang en gelukkig leven.

In de week die volgde maakten wij, de zussen, een wandeling in de Drunense duinen. Uitgebreid genoten we van een lunch in een klein en donker café. Die dag maakten we foto’s en als ik ze terugzie kan ik nog steeds niet begrijpen hoe ontspannen we eruit zien en hoeveel we gelachen hebben. Tijdens het wandelen vertelde ik over het beeld dat ik voor me zag; Mijn zusje in een gek jasje, met felroze erin, samen met haar kindje in de kinderwagen, op een terras. We bespraken de mogelijkheid, de piepkleine mogelijkheid dat ze het beiden zouden overleven. Het idee, dat mijn lieve kleine zusje haar kindje zou verliezen en vervolgens de zwaarst mogelijke chemo moest ondergaan, was ondragelijk. Er was niets liever dat ik wilde dan het leed dat haar te wachten stond, wegmaken.

Wat er de week daarna gebeurde is een van de grootste wonderen die ik ooit mocht aanschouwen. Wat toen gebeurde geeft me nog altijd kippenvel. Het wonder dat gebeurde was van zoveel factoren afhankelijk dat het haast onmogelijk was, maar toch gebeurde het.

Een engel kwam op haar pad in de gedaante van dokter V. Hij is een van de dapperste mensen die ik ken. Voor zover ik weet zijn medische protocollen vrijwel heilig en wordt er alleen bij hoge uitzondering vanaf geweken. Maar hij durfde het voor te stellen. Hij zag een kans. Deze hele situatie; de ontdekking van deze vorm van kanker in zo’n vroeg stadium, was nog nergens beschreven in de medische literatuur, simpelweg omdat de NIPT nog maar kort werd gebruikt. De kanker bij mijn zusje was bijvangst, pure pech, of geluk, het is maar hoe je het bekijkt.

Een commissie van artsen uit het hele land werd samengesteld, er werd informatie ingewonnen van over de hele wereld. Wat volgde was een advies, zoals verwacht luide dat advies hetzelfde als van de hematologe eerder.

Maar zo ging het niet. Mijn zusje en haar geliefde kregen een keuze: of het protocol volgen of heel goed gemonitord worden en zien of de behandeling kon worden uitgesteld totdat het kindje een reële overlevingskans had. En zo geschiedde.

Eind januari was het zover. De bloedwaarden begonnen nu toch wel te veranderen en het was tijd om te starten met de behandeling. Maar eerst werd een piepklein, maar voor haar leeftijd flink, meisje geboren. Vanaf het eerste moment dat ze er was, deed ze het geweldig. Voor mijn zus was het nog even spannend. Ondanks alle voorzichtigheid had ze toch een longontsteking opgelopen, in haar situatie kon haar dat fataal worden. Wat heb ik gehuild, ik geloof dat ik zelfs gebeden heb. God, het universum heb ik gesmeekt om mijn zusje nog hier te laten, bij haar kindje, haar geliefde, bij ons, bij mij.

Mijn gebeden werden gehoord en niet lang daarna begon haar behandeling, succesvol. Dat weten we nu, twee jaar later. We bellen elkaar vaak, we snappen elkaar als het gaat om de angst en het verdriet dat we voelen. Haar verdriet raakt me, misschien wel meer dan mijn eigen verdriet. Want, al worden we honderd, ze blijft altijd mijn lieve, kleine zusje.