Ze komt binnen met een grote doos, het kost haar zichtbaar moeite. Als ze 1,5 meter achter mij in de rij plaats neemt, zie ik dat haar pakket een cadeau moet zijn, ingepakt in goudkleurig papier en met stift versierd in vrolijke kleuren. Mijn mondhoeken krullen omhoog, ik ben gek op pakjes, ook als ze voor een ander zijn. In gedachten zie ik een man met snor en sweater en een blond kindje de doos openen, ze zijn erg blij en opgetogen met de inhoud. Een gedachten-dia later zit er een dode kat in. Minder fijn. Maar zou ook kunnen, ik grinnik. In de gauwigheid zie ik dat hier, in de echte wereld, een sticker met een barcode op de doos zit, zonder na te denken attendeer ik de verzendster op de snel-scan mogelijkheid.

Het is een zonnige dinsdagochtend en ik wacht op mijn beurt bij het mini postkantoortje aan het Stadhoudersplein. Ook ik heb een pakketje om te verzenden. Op weg hier naar toe, op de fiets in de zon stelde ik me alvast het verraste gezicht van de ontvangster voor. Het beeld maakte me vrolijk en spontaan begon ik te zingen. ‘You never walk alone,’ viel me spontaan in. Als een heuse Lee Towers galmde mijn stem tussen de huizen.

Zo’n ochtend is het dus. Om mij heen voel ik rust en ruimte. Ruimte om verdraagzaam en vriendelijk te zijn. Rust om me vooral niet druk te maken, om niets. Vanmiddag of morgen wacht mij een uitslag, maar dat gevoel druk ik snel weg om ruimte te maken voor mijn goede humeur.

En dus kan ik het hebben dat de vrouw mijn advies naast zich neerlegt en me onvriendelijk bedankt. Haar felheid ketst af op mijn bubbel, waardoor ik haar moeiteloos een grote glimlach schenk. Dat kan omdat ik geen mondkapje draag vandaag. Ze vangt mijn blik en verontschuldigt zich. Ik kan haar niet goed verstaan, haar bril beslaat, ze beweegt haar hoofd onrustig heen en weer. ‘Lieverd, bedankt voor je verontschuldiging, prima dat je het op jouw manier doet,’ zeg ik haar en kruip terug in mijn onzichtbare cocon. Dan begint ze te praten, veel van wat ze zegt kan ik niet verstaan, maar ik vang op dat het pakket zo belangrijk is, dat ze persé en zeker wil weten dat het verzonden wordt. Dat laatste begrijp ik, het is namelijk ook mijn reden om hier te zijn.

Dan ben ik aan de beurt. De jongen achter het loket lacht niet als hij mijn vrolijke pakket ziet, zo geconcentreerd doet hij zijn werk. Als ik wegloop groet ik de dame met het gouden pakket. Ze ziet het niet, ze is verwikkeld in een discussie met de meneer achter haar, iets over afstand houden. ‘Jij bent aan de beurt,’ zeg ik wat harder. Verschrikt kijkt ze op en tilt haar pakket op de weegschaal.

Snel glip ik de naastgelegen supermarkt binnen en vul een mandje met wat ik nodig heb. Op de terugweg zie ik nog net de dat dame haar pakket op de kar met poststukken legt. Het is haar gelukt. Ondanks de discussie, mijn bemoeienis en haar angst.

Buiten schijnt nog steeds de zon en ik stop bij de oliebollenkraam voor een flinke zak oliebollen, ik ben er gek op, het voelt zo feestelijk. In gedachten zie ik ons al zitten aan de rode tafel, allemaal een snor van poedersuiker en chocolademelk en vieren we het hopelijk, goede nieuws.