Het is dinsdagmiddag en het begint al een beetje te schemeren als de jongetjes en ik ons huis binnenstappen. We waren even in het park, zij speelden met vriendjes van school en ik kletste gezellig met hun moeder, een goede vriendin. Ook zij beleeft momenteel een pittige periode en we hebben wat aan elkaar. Ze vraagt wanneer ik denk dat ik geopereerd word, donderdag zeg ik. Het klinkt absurd, want dat is het al bijna. Als een van onze jongens per ongeluk een modderbad neemt, gaan we naar huis.

Met onze jassen nog aan, schoenen nog onder de blubber staan we in de gang als mijn telefoon gaat. Een vriendelijke stem vertelt me dat er donderdag aanstaande een plekje vrij is op de OK en of dat me schikt. Zonder na te denken roep ik volmondig ja! Natuurlijk! Weg met die tumor! Doei kanker! Ondertussen help ik schoenen uit doen en hang ik jassen aan de kapstok. Als ik ophang komen de vragen.
Jules heeft ook vragen, hij begrijpt dat het een belangrijk telefoontje is. Ik houd hem even stevig vast en vertel dat ik geopereerd zal worden overmorgen en dat ze dan de kanker weghalen. Hij maakt zich los. Ze willen een filmpje kijken en ik zet Carfield voor ze op. Vanuit de keuken zie ik ze zitten, zoals zo vaak. Samen op de bank, kijkend naar de film terwijl ze elkaar wijzen op grappige en vette dingen. Deze jongens verdienen een moeder, mij dus. En nu de operatie zo dichtbij is voelt het, alsof die kans steeds reรซler wordt. Terwijl ik aardappels schil en de rookworst in de pan doe bel ik Harm, ook hij is opgelucht dat het nu zo snel gaat. We bespreken direct een aantal praktische zaken, want hoe mooi het ook is, alle andere zaken in ons leven gaan ook gewoon door. School, werk, eten, Sinterklaas.

Op woensdag regelen we de laatste dingen voor mijn opname. Oppas, eten en ik ga nog even de stad in voor een nachthemd met knoopjes. Deze keer weet ik precies hoe het zal gaan en wat ik nodig heb, het voordeel van dit nog een keer meemaken. Samen met M. mijn vriendin met smaak die mij zal helpen om er prinsesserig bij te liggen de komende dagen. Het is gezellig en we sluiten de fijne middag af met een passessie bij de Bijenkorf en een oliebol. ‘Tot morgen,’ zegt de zelfverzekerde verkoper als we weglopen. Was het maar zo, denk ik.


Eenmaal thuis eten we met de jongetjes spaghetti met spinazie en gele vla met roosvicee en slagroom toe, een heus koningsmaal. Daarna pyjama’s aan, tandenpoetsen en met z’n vieren het Sinterklaasjournaal kijken. Ik geniet altijd zo van deze tijd van het jaar, de jongetjes die nog zo vol mee gaan in alle magie, de donkere dagen die gevuld zijn met gezelligheid en dadelijk, als we de kerstboom weer optuigen.
Alsof ik in mijn helikopter stap en even een rondje maak om de bank. Daar zit ik, te midden van mijn lievelingsmensen. Ontzettend van ze te houden en tegelijk voel ik me een beetje weemoedig, want wie weet hoe het morgen zal zijn. Maar, gauw terug naar nu, ik pak ze stevig vast en dat beeld pakt niemand me ooit af, dat geldt ook voor de print in mijn hart.

Om zes uur gaat de wekker en het duurt even voordat ik het geluid herken. Nog even blijf ik liggen, expres op mijn linkerzij, de kant waarop ik vanaf vandaag een hele tijd niet zal kunnen slapen. Onder de douche scheer ik mijn oksel voor de laatste keer, ik doe het langzaam en zorgvuldig, in gedachten neem ik een foto. Met mijn hand strijk ik nog maar eens langs mijn bovenarm, even voelen hoe het voelt. Mijn hand op mijn vel maar nu ook nog mijn vel tegen mijn hand. Straks zal mijn huid doof zijn, al dan niet tijdelijk. Voor de spiegel til ik mijn armen nog eens op, nu het nog kan. Het is goed zo, die kanker moet eruit. Arm bedankt, see you on the other side.

Na dit afscheid van mijn arm zoals hij was tot nu toe, kleed ik me aan, kus Harm en een nog slapende Rijk en knuffel een wakkere Jules. Dan stap ik op de fiets naar het Erasmus MC. Ook dit fietstochtje hoort bij mijn afscheidsritueel. Het valt onder het kopje ‘de regie nemen’. Natuurlijk, ik had ook de metro of een taxi kunnen nemen, maar ik wilde graag fietsen. Nog even bewegen en de koude buitenlucht op mijn huid voelen. Nog even genieten van een lichaam zonder pijn, een lichaam dat functioneert, een lichaam dat mag helen. En nog even alleen zijn samen met de forenzen in de stad, alsof ik naar mijn werk ga in plaats van naar het ziekenhuis.

In het ziekenhuis wordt ik op de 11e etage niet ontvangen door het prachtige uitzicht zoals de vorige keer, maar door mijn eigen spiegelbeeld in het raam, het is nog donker. Er is nog niemand, dat geeft me even de tijd om mijn regenpak uit te doen en mijn brillenglazen te drogen. Precies als ik daarmee klaar ben komt een aardige verpleegkundige me ophalen. Ze brengt me naar mijn kamer F1116. Het nummer doet me uiteraard denken aan een vliegtuig, zo’n snelle. Het past wel bij hoe snel de operatie is gekomen, een goed voorteken denk ik.
Om tien over negen ben ik aan de beurt. Ik doe het korenblauwe operatiehemd aan, hang mijn kleren netjes op en maak nog even snel een berichtje op Instagram.
En dan is het al zover. Nog even plassen en ik zeg mijn mantra voor vandaag nog gauw een paar keer voor de spiegel: Ik hou van mezelf, ik accepteer mezelf, beter dan ooit, vandaag is een nieuw begin. Het duurt even voordat ie soepel loopt, maar dan kijk ik mezelf aan en we spreken af dat het zo goed is. Ik wens mezelf succes.


Twee lieve dames rijden me naar de lift. Op de zesde verdieping gaat het gebeuren. Daar word ik opgevangen en begint de voorbereiding op de operatie. Ik voel me rustig, maar als ik word aangesloten op een hartslagmeter hoor ik dat ik alles behalve rustig ben. Het is ook spannend, eng misschien zelfs wel, vooral voor een controle-freak als ik. Maar de mensen zijn aardig. Iemand vraagt waar het vliegtuig heen gaat. Even begrijp ik niet wat ze bedoelt. Maar als het kwartje valt zeg ik zonder twijfel: Zanzibar. In gedachten zie ik mezelf al zitten, samen met mijn vriendin B. nippend aan Pina Colada, een ontspannen muziekje en bush-tv: de ondergaande zon, voetjes in het witte zand en het ruisen van de blauwe zee.
Dan rijd ik de operatiekamer in. Grote lampen aan het plafond en er staan aardig wat mensen te wachten op mij. Iedereen stelt zich voor, maar ik onthoud hun namen niet. Het is gek dat ik de mensen die hier vandaag bij mijn operatie zijn, niet eens zal herkennen, mocht ik ze tegenkomen. Ondertussen bonst mijn hart oorverdovend. De anesthesist plaatst een infuus en met een pijnlijke prik spuit hij iets in mijn arm. Dan voel ik het slaapmiddel mijn arm inlopen, het voelt koud. Iemand zegt dat ik hyperventileer en ik krijg een zuurstofkapje op. Diep inademen is het advies. Dan wordt het donker.

Ik word wakker en heb het gevoel dat ik stik. Het lukt me bijna niet om te ademen. Met mijn handen voel ik aan mijn mond, er zit iets in, het moet eruit. Nadat ik eraan trek stroomt de lucht vrij mijn longen in. Dan begin ik onbedaarlijk te hoesten. Harm, ik wil naar Harm, ik roep hem. Gelukkig komt iemand even naar me toe. Ze stopt me lekker in en legt me uit dat ik het beademingsapparaat zelf heb verwijderd, ze was net te laat. Ik ben te suf om te reageren. Als ik mijn hoofd beweeg begint alles te draaien, ik blijf zo stil mogelijk liggen. Plassen, ik moet nodig plassen. Om me heen worden schermen neergezet en een po wordt onder mijn billen geschoven. Het lukt niet. Dan roept een bekende stem ‘Het is goed gegaan!’. Het is dokter G. Hij zwaait en zegt dat hij straks naar de afdeling komt. Nog voor ik iets kan antwoorden is hij weer weg.
Eenmaal op mijn kamer is Harm daar. Hij blijft de hele middag terwijl ik telkens in slaap val. Maar het is fijn dat hij er is. Het geruststellende geluid van zijn vingers op het toetsenbord van zijn laptop voelt vertrouwd.

Dokter G. komt langs, hij is erg tevreden over de operatie. Geen gekke dingen, alles zoals het moet gaan. Het gaat zo goed met mij dat ik morgen al naar huis mag. Dat is fijn en tegelijk ook spannend. Hier in het ziekenhuis zijn pijnstillers en lieve verpleegkundigen die me met alles helpen. Thuis moet ik weer veel zelf doen. Ook is het hier lekker rustig, is er geen was en zijn er geen aardappels om te schillen, geen kontjes om te vegen en geen kinderen die ruzie maken.
Dan denk ik aan ons viertjes en het Sinterklaasjournaal, prima, ik ga morgen naar huis, fijn. Harm belooft dat hij pannenkoeken bakt.

Vrijdagochtend, de fysio komt langs en we doen samen mijn oefeningen. Het gaat moeizaam maar beter dan ik had verwacht. Mijn arm doet het best goed en ook zijn de dove plekken kleiner dan de vorige keer. De fysio is tevreden en wenst me sterkte. Over drie weken mag ik weer hardlopen, ook niet onbelangrijk.

Dan komen de zaalartsen me ontslaan, er wordt een brief voor me gemaakt en dan kan ik gaan. Ik kleed me aan en pak mijn tas in. Terwijl ik wacht op Harm en mijn vader die me zullen ophalen lees ik een boek. Ineens komt het verhaal me erg bekend voor, ik heb het boek al gelezen. Dan komt die aardige verpleegkundige binnen en spontaan geef ik het boek aan haar. Ze is er blij mee. Toevallig hebben de schrijfster en zij dezelfde voornaam.

De tijd verstrijkt, nog geen brief en als Harm en mijn vader gearriveerd zijn ontdek ik dat mijn drain verstopt zit. Mijn lieve verpleegkundige gaat het regelen. Ook regelt ze dat er pijnstillers klaar zullen liggen bij de apotheek.


Het is al bijna twee uur als ik thuis kom. Zodra de voordeur open gaat ruik ik de lelies uit het prachtige boeket dat ik kreeg van lieve mensen die het goed met me voor hebben. Ik zwaai mijn vader en Corrie uit. Dan ben ik alleen thuis. Terwijl de waterkoker zijn werk doet kijk ik naar de tuin, daar staat mijn fiets onder het afdak, te wachten tot ik weer kan.

Op naar beter dan ooit!