Het is zondag en ik wandel door park Zestienhoven. Een klein maar groen gebied omringd door snelwegen, treinsporen en een vinexwijk. De geuren van snelweg, open haard en hondenpoep dringen om beurten mijn neusgaten binnen. Voor me fietst Rijk in zijn roze met blauwe pietenpak. De veer op zijn pietenpet is geknakt maar wijst vrolijk naar de hemel. Met zijn jas in felle neon kleuren is hij een opvallende verschijning in het landschap van grijs, zwart en donkergroen. We halen, zoals wij dat noemen, een vieze neus.

Gisteren hebben we pakjesavond gevierd en toen de jongetjes in bed lagen, de vaatwasser z’n werk deed en Harm en ik op de bank neerploften voor een paar afleveringen van de Duitse Netflix-serie Dark, voelde ik dat al mijn meters in het rood stonden. Mijn vers geopereerde linkerarm klopte, mijn schouder voelde stijf en ook de rest van mijn lijf was moe. Een nachtje slapen zou vroeger hebben volstaan, of sterker, vroeger zou ik nooit zo’n vermoeidheid ervaren hebben, realiseer ik me. Het gevoel van uitgeput zijn, zoals ik dat nu ervaar is zelfs een overtreffende trap van het gevoel dat ik had na mijn bevallingen. Toen was ik ook moe, maar dat werd kunstig gemaskeerd door een oceaan aan hormonen. Zo kon ik ongestoord gelukkig zijn met mijn kleine jongetjes, ik fantaseer er nu bij dat ik haast uitkeek naar hun huiltjes in de nacht. Zodra ze naar een kik gaven was ik wakker, legde ik ze naast me in het grote bed, mijn neus in een nek en een piepklein, zacht babyvoetje in mijn hand. Het gebeurt nog steeds regelmatig dat Rijk tussen ons in kruipt maar ik word er niet eens wakker van, zo diep slaap ik. Daarnaast slaap ik ook vaak overdag, omdat ik het anders niet volhoud. Uitputting ligt altijd op de loer.

Dat niet volhouden uit zich in een korte lont en zurigheid, dan word ik zo’n naar mens dat ik het liefst bij mezelf weg zou gaan. Maar ja, dat kan niet. Wat wel kan en ook echt nodig is, is alles laten vallen en gaan zitten. Als ik zit stel ik prioriteiten, wat is echt nodig en wat niet. Nu ik vaker met dit bijltje hak, wordt het makkelijker. Eigenlijk staan er altijd dezelfde dingen op: is er ontbijt, lunch en diner in huis en wat moet ik doen om het op tijd op tafel te krijgen, welke belangrijke werkdingen moeten vandaag, wat kan ik uitbesteden en aan wie. En onderbroeken en schone kleren, kunnen we nog een dag vooruit? Als ik alles geregeld heb dan kruip ik meestal op de bank met de jongetjes, met een leuke film. Of zij spelen en ik lig op de bank of zit op een bankje in het park of in Plaswijckpark.

De laatste twee weken, sinds de operatie hebben we bijna dagelijks hulp, dat is zo fijn.

Hulp vragen lukt me ook steeds beter. Het is best intens om steeds mensen over de vloer te hebben die er anders niet zijn, zelfs als je ze heel goed kent. Wassen, boodschappen, schoonmaken en de zorg voor de jongetjes, alles gebeurt en doordat ik nu de regie heb, gebeurt het ook nog vaak precies zoals ik het wil. En dat voelt goed, want ik ben zelden spullen of kleding kwijt en ook de jongens lijken alle veranderingen, zelfs in deze Sinterklaasperiode, goed te kunnen hebben.

Rijk en ik zingen samen ‘Zie ginds komt de stoomboot’. We stoppen bij een dode boom die is begroeid met prachtige, grote zwammen. Als we even stil blijven staan vallen me steeds meer prachtige paddenstoelen op. In het water naast ons zwemmen meerkoeten. Zo even stil staan, zelfs in dit stemmige winterlandschap doet me beseffen dat er meer is dan alleen maar mijn ziekte en het circus daar omheen. Telkens opnieuw ben ik verrast, dat wanneer ik echt even de tijd neem om te vertragen of stil te staan, de schoonheid van wat is zich voor mijn voeten ontvouwt. Rijk wijst naar een Reiger, ‘kijk een ooievaar!’. Ik glimlach en samen kijken we de mooie vogel na.